Eigen goederen blijven eigen, zelfs in stelsels met gemeenschap
Echtgenoten die huwen zonder huwelijksovereenkomst, of in een huwelijksovereenkomst niet voor het stelsel van scheiding van goederen opteren, komen in het wettelijk stelsel terecht. In dit stelsel zijn de beroepsinkomsten gemeenschappelijk. Wat ervan overblijft op het moment dat het huwelijk eindigt door echtscheiding of overlijden, wordt in de regel gelijk verdeeld tussen de echtgenoten.
Anders is het gesteld met de goederen die bij het aangaan van het huwelijk reeds in het bezit zijn van de echtgenoten, dan wel tijdens het huwelijk worden verkregen door bv. schenking of erfenis. Die goederen, inclusief de waardestijgingen tijdens het huwelijk, behoren tot het eigen vermogen van de betrokken echtgenoot, en geven geen aanleiding tot enige verdeling. De echtgenoot die er eigenaar van is, behoudt deze gewoon. Worden uit een eigen vennootschap bv. dividenden uitgekeerd, dan zullen deze wel in de huwgemeenschap vallen. Het wettelijk stelsel betreft immers een gemeenschap van aanwinsten verkregen door arbeid en door kapitaal.
Piercing the corporate veil
De echtgenoot die bij aanvang van het huwelijk al een vennootschap heeft, of tijdens het huwelijk met eigen fondsen, een vennootschap opricht, zal aandelen verkrijgen die tot diens eigen vermogen behoren. Zonder enige inmenging van de andere echtgenoot, zal hij of zij bijvoorbeeld kunnen stemmen op de algemene vergadering.
Een dergelijke ruime beslissingsbevoegdheid kan botsen met de basisgedachte van het wettelijk stelsel waarin de beroepsinkomsten nu eenmaal gemeenschappelijk zijn. Door zelf volledig de touwtjes in handen te houden, zal de echtgenoot-aandeelhouder helemaal alleen kunnen bepalen of er inkomsten uit de vennootschap naar de huwgemeenschap zullen vloeien door dividenduitkeringen of door bezoldigingen. De enige echtgenoot-aandeelhouder heeft immers de mogelijkheid om bv. slechts een minimumloon uit te keren en voor de rest alle winst te reserveren. De huwgemeenschap zou dan ook meer inkomsten hebben verworven mocht de activiteit niet in vennootschapsverband zijn uitgeoefend.
De wetgever achtte het in 2018 opportuun om op dit punt in te grijpen. De echtgenoot die zijn beroep uitoefent binnen een vennootschap waarvan de aandelen hem eigen zijn, moet voortaan het “oppotten van de winst” kunnen verantwoorden om bedrijfseconomische redenen. Slaagt hij daar niet in, dan zal een vergoeding ontstaan voor de huwgemeenschap. Ingevolge deze wetswijziging, heeft de huwgemeenschap recht op de netto-beroepsinkomsten die niet werden ontvangen, doch redelijkerwijze had kunnen ontvangen indien het beroep niet binnen de vennootschap was uitgeoefend. De vennootschapssluier wordt bijgevolg doorprikt ten gunste van de huwgemeenschap. Of nog: piercing the corporate veil.
Het doel van de wetgever was duidelijk in 2018. In het gemeenschapsstelsel dient de wijze van uitoefening van de beroepsactiviteit (als werknemer, in een eenmanszaak of via een vennootschap), volledig neutraal te zijn. De uiteindelijke gerechtigde op hetgeen voortkomt uit de arbeid dient de huwgemeenschap te zijn, hoe men zich ook organiseert.
Ook de waardestijging van eigen aandelen dient te worden vergoed aan de huwgemeenschap
Sinds 1 september 2018 wordt de vennootschapssluier aldus doorprikt voor de bedragen die om niet-bedrijfseconomische redenen binnen de vennootschap worden gehouden. Dit in zoverre we te maken hebben met een ondernemer die gehuwd is met gemeenschap en die aandelen aanhoudt die tot zijn eigen vermogen behoren.
Los hiervan staat de vraag naar de waardestijging van deze aandelen, indien de stijging te danken is aan de professionele inspanningen tijdens het huwelijk: blijft deze opgebouwde meerwaarde integraal eigen, of is hier ook een vergoeding aan de orde voor de huwgemeenschap?
Het was precies deze vraag die aan een rechter in Aarlen werd voorgeschoteld.
Ter zake hadden de echtgenoten J.-L. D. en S.O. doorheen het huwelijk gewerkt in een vennootschap waarvan de vennootschapsaandelen tot het eigen vermogen behoorden van J.-L. D. Na de oprichting van de vennootschap werd S.O. medebestuurder. De echtgenoten kregen hiervoor dezelfde maandelijkse vergoeding. Een zekere gelijkschakeling dus.
Het huwelijk van J.-L. D. en S.O. eindigt door echtscheiding, waarbij de vraag tot uiting kwam of de meerwaarde van de eigen aandelen van J.-L.D. diende te worden gedeeld met S.O. of niet.
Geconfronteerd met de vaststelling dat de wettelijke vergoedingsplicht die in 2018 werd ingevoerd niet op deze discussie van toepassing is, stelde de rechtbank diverse vragen aan het Grondwettelijk Hof. Deze werden behandeld in het arrest van 5 maart 2026.
Ter zake werd aan het Hof onder meer gevraagd of er nu wel of niet sprake was van discriminatie voor echtgenoten gehuwd met gemeenschap, indien men de situatie vergelijkt waarbij de beroepswerkzaamheid bv. wordt uitgeoefend in een vennootschap waarvan de aandelen gemeenschappelijk zijn, met deze waarbij de aandelen eigen zijn. Immers: bij de gemeenschappelijke aandelen zal de meerwaarde integraal te delen zijn met elkaar. Indien de beroepswerkzaamheid daarentegen wordt uitgeoefend in een “eigen” vennootschap, zal de meerwaarde van de aandelen eigen zijn. In dat geval dient er dus bij een relatiebreuk of een overlijden niets moeten worden verdeeld, gezien de aandelen, met inbegrip van de meerwaarde, tot het eigen vermogen behoren.
Het Hof laat er geen twijfel over bestaan: voornoemde vaststelling brengt geen discriminatie teweeg. Het eigen of gemeenschappelijk karakter van de aandelen kent nu eenmaal zijn gevolgen. Dat is slechts systematiek van het wettelijk stelsel waarin er naast een gemeenschappelijk vermogen, ook een eigen vermogen van iedere echtgenoot is.
Blijft S.O. dan in de kou staan? Toch niet. Het Hof herinnert na de uiteenzetting van het voorgaande aan de fundamenten van het wettelijk stelsel: inkomsten uit arbeid zijn gemeenschappelijk en moeten worden gedeeld met elkaar. De keuze om een vennootschap te hanteren bij het uitoefenen van de beroepswerkzaamheid, mag op dit principe geen invloed hebben. Om tot dat besluit te komen, zocht het Hof onder meer aansluiting bij het doel van de hervorming uit 2018, zoals hoger besproken.
Hoewel de meerwaarde van de eigen vennootschapsaandelen tot het eigen vermogen blijft behoren en niet moet worden verdeeld op het einde van de rit, zal er wel een vergoeding verschuldigd zijn voor het bedrag aan inkomsten dat het gemeenschappelijk vermogen zou hebben ontvangen indien de beroepsactiviteit niet in het kader van een eigen vennootschap was uitgeoefend. Die vergoeding omvat in principe de meerwaarde die op de aandelen van de vennootschap is verkregen, dankzij, hoofdzakelijk, de beroepsactiviteit van de aandeelhoudende echtgenoot tijdens het huwelijk en, a fortiori, de meerwaarde die toe te schrijven is aan de beroepsactiviteit van de andere echtgenoot.
Een gerechtvaardigd uitgangspunt, doch enkele bedenkingen
Algemeen gesteld, kunnen wij ons best vinden in de leer van het Grondwettelijk Hof: een vergoeding ten belope van de meerwaarde van de eigen aandelen aan het gemeenschappelijk vermogen zal aan de orde zijn indien deze verband houdt met een uitgeoefende beroepswerkzaamheid tijdens het huwelijk. De inkomsten uit arbeid moeten nu eenmaal in principe gelijk worden gedeeld met elkaar.
Toch stellen we ons enkele vragen.
Vooreerst is het nog maar de vraag welk deel van de meerwaarde van de eigen aandelen uiteindelijk niet moet worden vergoed. Immers: is alles wat men onderneemt in een vennootschap niet op de een of andere manier gelieerd aan een beroepswerkzaamheid?
- Te denken valt aan de waardestijgingen van vastgoed dat werd verworven binnen een vennootschap waarvan de aandelen eigen zijn van een echtgenoot. Indien de verwerving werd gefinancierd met beroepsinkomsten (aangevuld met een krediet), dan zal de waardestijging van het vastgoed, zelfs indien deze toevallig tot stand komt, wellicht op het einde van de rit moeten worden vergoed aan de huwgemeenschap.
- Anders lijkt het in voorkomend geval voor eigen aandelen die worden verworven ingevolge schenking of erfenis. Indien er in de betrokken vennootschap op dat moment reeds vastgoed zit, dan houdt dit vastgoed geen verband met de beroepswerkzaamheid van de echtgenoot die de aandelen heeft ontvangen. De waarde van dit vastgoed, alsook de latere waardestijgingen, zal zijn invloed hebben op de waarde van de aandelen. Enige vergoeding aan de huwgemeenschap lijkt ter zake evenwel niet aan de orde, nu de betrokken activa niet werden verkregen door arbeid.
De vraag stelt zich daarnaast of het een en ander niet leidt tot onbillijke situaties. Een ondernemer kan voorafgaand aan het huwelijk zware financiële verbintenissen zijn aangegaan om zijn business te doen slagen, gecombineerd met een zekerheid in de vorm van een borgstelling. De huwgemeenschap zal op het einde van het huwelijk gerechtigd zijn op de meerwaarde van de eigen aandelen die verbonden is aan de beroepswerkzaamheid die de ondernemer tijdens het huwelijk heeft verdergezet. Maar draagt diezelfde huwgemeenschap dan ook finaal de risico’s als het fout afloopt met de activiteit en de borg wordt uitgewonnen? Bij nazicht van de wet, lijkt ons dat niet meteen het geval.
Praktische problemen bij implementatie?
Het is verder ook de vraag of de implementatie van deze vergoeding in de praktijk zo eenvoudig zal verlopen. Wij begrijpen immers dat deze vergoeding los staat van de in 2018 geïntroduceerde mogelijkheid om een vergoeding te vragen voor de bedragen die zonder enige bedrijfseconomische reden in de eigen vennootschap zijn gebleven (zie hoger). Een toepassing van beide regelingen lijkt zich in voorkomend geval op te dringen, al lijkt het erg moeilijk om deze zonder meer samen toe te passen. Indien men alle winstreserveringen al op de korrel neemt met de wettelijke vergoedingsplicht, zou een bijkomende eis om de waardestijging te vergoeden, neerkomen op een dubbele vergoeding. Het zal er dan op aankomen om nog het gedeelte van de meerwaarde te kunnen vastleggen dat niet reeds werd gevat ingevolge de wettelijke vergoedingsaanspraak die werd geïntroduceerd in 2018.
Bedrijfsrevisoren en overige professionals die zich bezighouden met waarderingen van vennootschappen, zullen bijgevolg in de praktijk wellicht hierbij de nodige opdelingen moeten maken.
Biedt een op maat gemaakte huwelijksovereenkomst de oplossing?
Het is goed denkbaar dat een ondernemer wenst te huwen met gemeenschap. De inherente solidariteit – de verdeling van de inkomsten uit arbeid – die eraan ten grondslag ligt, kan voor sommige koppels gewenst zijn.
Is er met de uitspraak van het Grondwettelijk Hof indachtig binnen het gemeenschapsstelsel dan nog een mogelijkheid voor een van de echtgenoten om met een eigen vennootschap te ondernemen en zelf de opgebouwde meerwaarde te behouden?
Zoals het Grondwettelijk Hof het meegaf in zijn arrest van 5 maart 2026, is een fundamenteel kenmerk van gemeenschapsstelsels dat de beroepsinkomsten gemeenschappelijk zijn. Om die reden lijkt het onvoorwaardelijk uitsluiten van de vergoeding ten gunste van de huwgemeenschap in het besproken geval, dan ook niet mogelijk. Daarentegen lijkt het wel mogelijk om bijvoorbeeld de wijze waarop de vergoeding voor de huwgemeenschap wordt berekend, contractueel te bepalen. Zo kan bij het vastleggen van de huwelijksovereenkomst alvast de waarderingsmethode worden vastgelegd die zal worden gehanteerd om de te vergoeden meerwaarde van de eigen aandelen te berekenen.
Het een en ander lijkt ons toch tot het besluit te brengen dat het stelsel van scheiding van goederen voor de echtgenoot-ondernemer meer aangewezen is. Ook in dat stelsel is het beslist mogelijk om solidariteitsmechanismen in te bouwen.
U weet ons dan ook te vinden mocht u vragen hebben bij het voorgaande, of bij de uitwerking van uw huwelijksovereenkomst.