Neem contact op met één van onze advocaten
Hoewel de concrete wettekst in principe pas in de loop van 2026 zal worden goedgekeurd, is in navolging van het Regeerakkoord van de regering-De Wever inmiddels het wetsontwerp tot invoering van een belasting op meerwaarden op financiële activa gepubliceerd. Die belasting zal (retroactief) van toepassing zijn vanaf 1 januari 2026.
Tot nu toe werd slechts in de zeer specifieke gevallen belasting geheven op meerwaarden op aandelen. Denk hierbij aan een belasting als divers inkomen indien meerwaarden die op financiële activa werden gerealiseerd het resultaat vormden van speculatie of een abnormaal beheer van het privévermogen of een belasting als beroepsinkomen indien de meerwaarde kadert in de beroepsactiviteit.
De (vooropgestelde) meerwaardebelasting vindt nu ook toepassing wanneer de realisatie van de meerwaarde kadert binnen het normale beheer van het privévermogen van de belastingplichtige. Dergelijke meerwaarde kon men tot en met 2025 belastingvrij realiseren.
Het wetsontwerp is op 17 december 2025 gepubliceerd. De Belgische Minister van Financiën heeft in de Kamercommissie Financiën op 27 januari 2026 ook al meerdere vragen beantwoord. In dit artikel vatten wij, op basis van de huidige stand van zaken, de belangrijkste spelregels samen en lichten wij toe welke impact deze hervorming kan hebben voor particuliere beleggers, ondernemers en vermogende families.
Wie wordt getroffen?
De belasting treft natuurlijke personen in de personenbelasting en rechtspersonen die aan de rechtspersonenbelasting onderworpen zijn (zoals vzw’s en private stichtingen). Er geldt een uitsluiting voor erkende instellingen die gemachtigd zijn om fiscaal aftrekbare giften te ontvangen.
Belangrijk om op te merken is dat men enkel de volle eigenaars en de blote eigenaars van de hierna vermelde activa als belastingplichtige aanmerkt. De minister stelde echter ook al in de Kamercommissie Financiën dat als iemand zijn vruchtgebruik verkoopt, hij/zij hierop ook een meerwaarde kan realiseren. Of dit een meerwaarde is die geviseerd wordt door de huidige ontwerptekst en hoe dergelijke meerwaarde belast zou worden is echter verder nog onduidelijk.
Welke activa?
De belasting zal van toepassing zijn op meerwaarden op de volgende “financiële activa”:
- financiële instrumenten, zoals bijvoorbeeld aandelen, obligaties, rechten van deelnemingen in instellingen voor collectieve belegging, ETF’s, opties, futures, swaps, warrants, etc.;
- bepaalde verzekeringscontracten, zoals tak 21, 22, 23, 26 of de buitenlandse vergelijkbare variant hiervan;
- crypto-activa;
- valuta.
Bepaalde activa, zoals groepsverzekeringen, schuldsaldoverzekeringen, uitvaartverzekeringen, pensioenfondsen en langetermijnsparen blijven uitgesloten van het toepassingsgebied. Voor deze activa blijft dus het bestaande fiscale regime gelden.
Wanneer is de meerwaardebelasting verschuldigd?
De belasting wordt geheven bij een overdracht onder bezwarende titel, buiten het kader van een beroepsactiviteit. Schenkingen, erfenissen en inbrengen in een vennootschap worden vrijgesteld. Ook de inbreng van aandelen in een maatschap zonder rechtspersoonlijkheid wordt vrijgesteld. Op het moment van de inbreng van de aandelen zal dus geen meerwaardebelasting verschuldigd zijn. De oorspronkelijke aanschaffingswaarde van de aandelen blijft evenwel behouden. Bij latere verkoop door de verkrijger wordt bijgevolg gekeken naar de aanschaffingswaarde van de oorspronkelijke eigenaar om de belastbare meerwaarde te bepalen.
De volgende situaties worden trouwens gelijkgesteld met een overdracht:
- de uitkering bij leven van verzekeringscontracten;
- de verhuis van de fiscale woonplaats of zetel van fortuin naar het buitenland (‘exit tax’), met heffing op latente meerwaarden (zie hierna).
Verder kwalificeert een uitonverdeeldheidtreding ook als een realisatiemoment en is de verdeling in beginsel een belastbare verrichting. Indien deze uitonverdeeldheidtreding volgt binnen de drie jaar na een overlijden, echtscheiding of het einde van een wettelijke of feitelijke samenwoning die deze uitonverdeeldheidtreding heeft veroorzaakt, geldt er wel een vrijstelling.
Voor de uitonverdeeldheidtreding in het kader van een maatschap wordt op heden niet in dergelijke expliciete vrijstelling voorzien. Het is op basis van de huidige ontwerpteksten niet geheel duidelijk of de uitonverdeeldheidtreding uit een maatschap een belastbaar moment is en of dit in lijn ligt met de bedoeling van de wetgever.
Exit tax
Wanneer een Belgische belastingplichtige zijn fiscale woonplaats naar het buitenland verplaatst, zal hij in principe de meerwaardebelasting dienen af te rekenen aan de grens. Deze bepaling lijkt vooral ingegeven vanuit de idee om te vermijden dat een belastingplichtige zijn/haar meerwaarden in een fiscaal gunstiger land zou realiseren. Als de belastingplichtige binnen een periode van twee jaar nog de meerwaarde realiseert, zal hij meerwaardebelasting verschuldigd zijn op de waarde op het moment van de emigratie.
Gedurende een periode van twee jaar zal de belastingplichtige dan ook verplicht blijven te rapporteren over zijn financiële activa en de eventuele gerealiseerde meerwaarden daarop. Er wordt met andere woorden een uitstel gegeven op de exit tax. Bij een verhuis binnen de EER of naar een verdragsland met informatie- en invorderingsbijstand wordt dit uitstel automatisch toegekend. Bij een verhuis naar een ander land kan uitstel worden verkregen mits het stellen van een zekerheid. Dit geldt ook bij een doorverhuizing binnen twee jaar.
Het uitstel vervalt (gedeeltelijk) bij verkoop of het vestigen van een zakelijke zekerheid op de activa binnen deze twee jaar. Keert de belastingplichtige binnen die termijn terug naar België zonder overdracht van de activa, dan vervalt de exitheffing volledig.
Na afloop van de twee jaar wordt het uitstel definitief en zal de geëmigreerde belastingplichtige geen Belgische meerwaardebelasting verschuldigd zijn.
Als tegengewicht geldt voor immigranten een “step-up” van de waarde van hun financiële activa bij aankomst in België, uitsluitend voor de toepassing van de nieuwe meerwaardebelasting.
Algemeen regime: 10% belasting
Het standaardtarief bedraagt 10% op gerealiseerde meerwaarden met de volgende principes:
- basisvrijstelling van 10.000 EUR per persoon per jaar, die jaarlijks geïndexeerd wordt;
- overdraagbaarheid van ongebruikte vrijstelling: wie de vrijstelling niet gebruikt, kan deze vrijstelling telkens 1.000 EUR per jaar gedurende maximaal vijf jaar doorschuiven;
- wie slechts occasioneel (bijv. eenmaal per vijf jaar) een meerwaarde realiseert, kan zo maximaal 15.000 EUR aan vrijstelling genieten (voor koppels: 30.000 EUR).
Bijzonder regime: aanmerkelijk belang
Voor belastingplichtigen met een aanmerkelijk belang (20% of meer), geldt een apart regime:
- een vrijstelling tot 1.000.000 EUR aan meerwaarde, maar slechts eenmaal per vijf jaar en per persoon;
- boven de 1.000.000 EUR aan meerwaarde, gelden progressieve tarieven, vermoedelijk zoals eerder voorgesteld:
- 1,25% tussen 1.000.000 EUR en 2.500.000 EUR
- 2,50% tussen 2.500.000 EUR en 5.000.000 EUR
- 5% tussen 5.000.000 EUR en 10.000.000 EUR 10% boven 10.000.000 EUR.
Wie minder dan 20% van de aandelen bezit op het moment van de verkoop, valt dus onder het algemene regime. Een oprichter van een start-up wiens participatie door opeenvolgende kapitaalverhogingen met externe investeerders is verwaterd van 50% naar 18%, zal bij een latere verkoop van zijn aandelen niet in aanmerking komen voor de gunstregeling.
Ook onverdeelde participaties worden fiscaal opgesplitst. Wanneer twee personen samen 36% in onverdeeldheid bezitten, wordt dit fiscaal herleid tot een individueel belang van 18% per persoon. In dat geval wordt de drempel van 20% niet gehaald.
Voor de meerwaarden die echtgenoten realiseren op goederen die in een gemeenschappelijk vermogen zitten, is de regeling tot op heden niet geheel duidelijk. Het betreft hier bijvoorbeeld de situatie dat 36% van de aandelen op naam van de ene echtgenoot staan ingeschreven in het aandelenregister, maar de vermogenswaarde van deze aandelen gemeenschappelijk is ingevolge het huwelijksstelsel.
In de Kamercommissie Financiën zijn hierover verschillende vragen gesteld aan de Minister van Financiën, maar hier is niet eenduidig op geantwoord. De Minister van Financiën heeft gesteld dat de beoordeling steeds dient te gebeuren per belastingplichtige en de vrijstelling van 1.000.000 EUR bij echtgenoten geldt per belastingplichtige.
Dit antwoord verheldert niet of bij de behandeling van aandelen die staan ingeschreven op naam van één echtgenoot, maar waarvan de vermogenswaarde tot het gemeenschappelijk vermogen hoort, de lidmaatschapsrechten in aanmerking worden genomen (36% in het voorbeeld), dan wel de vermogenswaarde die elk van de echtgenoten heeft (twee keer 18% in het voorbeeld). Afhankelijk hiervan kunnen de aandelen al dan niet onder het aanmerkelijk belang regime vallen en van een voetvrijstelling van 1.000.000 EUR genieten in plaats van een vrijstelling van 10.000 EUR.
Overdracht aan een niet-EER rechtspersoon: 16,50%
Nieuw is dat de participatie niet langer minimaal 25% moet bedragen. Daarnaast wordt de eerste schijf van 1.000.000 EUR vrijgesteld. Ook binnen dit nieuwe regime blijft de historische waarde tot en met 31 december 2025 belastingvrij, zodat enkel de meerwaarden die vanaf die datum ontstaan effectief worden belast.
Interne meerwaarden: 33% heffing
Voor zogenoemde interne meerwaarden voorziet de nieuwe regeling in een afzonderlijk tarief van 33% (+ gemeentebelasting).
Van een interne meerwaarde is sprake wanneer de overdrager van aandelen of winstbewijzen zelf, al dan niet samen met zijn echtgenoot, afstammelingen, ascendenten of zijverwanten tot en met de tweede graad, rechtstreeks of onrechtstreeks controle uitoefent op de overnemer.
Voordien probeerde de administratie deze interne meerwaarden in bepaalde gevallen als een abnormaal beheer van privévermogen te belasten, maar nu wordt dit principe dus in de wet ingeschreven als een vorm van antimisbruikbepaling. Weliswaar staat dit onder het regime van een normaal beheer.
De minister heeft in de Kamercommissie hierover gesteld dat het stelsel van interne meerwaarden niet zal worden toegepast indien bijvoorbeeld de ouders de aandelen van een familiale vennootschap in het kader van een overdracht naar een volgende generatie overdragen aan de kinderen of de holdings van de kinderen. Ook gedeeltelijke overdrachten aan de kinderen, de holding of newco van de kinderen zou niet vallen onder het regime van de interne meerwaarden. Hierbij stelt de memorie van toelichting wel dat indien de ontvangen verkoopprijs of openstaande rekening-courant zou worden overgedragen aan de kinderen, de verrichting op basis van de algemene antimisbruikbepaling alsnog gevat zou kunnen worden als interne meerwaarden.
Waardering van activa
De belastbare meerwaarde die wordt gerealiseerd in het kader van het normaal beheer van privévermogen is het verschil tussen de verkoopprijs en de aanschaffingswaarde (zonder kosten). Als referentiepunt voor deze aanschaffingswaarde geldt de slotkoers of waarde op 31 december 2025. Dit is het zogenoemde “fotomoment”.
Gedurende vijf jaar na inwerkingtreding kan men opteren voor een historische aanschaffingswaarde, indien die hoger ligt. Met andere woorden, voor effecten die men vóór 31 december 2025 aankocht, mag men bij een verkoop tot en met 2030 nog uitgaan van de effectieve aankoopwaarde indien die hoger is. Bij een verkoop vanaf 2031 geldt echter altijd de waarde op 31 december 2025 als uitgangspunt.
De aanschaffingswaarde wordt als volgt bepaald:
- voor beursgenoteerde activa: slotkoers op 31 december 2025;
- voor niet-beursgenoteerde activa: de hoogste van een van de volgende vier waarderingen:
- de waarde bij overdracht tussen onafhankelijke partijen in 2025 of waarde bij oprichting of kapitaalverhoging in 2025;
- een waarderingsformule vastgesteld in een contract of contractueel aanbod dat in werking is op 1 januari 2026 (bv. een aandeelhoudersovereenkomst);
- een wettelijke waarderingsformule: eigen vermogen + 4x EBITDA.
- als alternatief kan men ook een onafhankelijke waardering door een bedrijfsrevisor of gecertificeerd accountant vóór eind 2027 laten opmaken. Deze bedrijfsrevisor of gecertificeerd accountant mag niet de gebruikelijke beroepsoefenaar zijn.
- voor aandelen of opties onder de Aandelenoptiewet van 26 maart 1999 geldt er ook een specifieke regeling. Zeer vereenvoudigd samengevat, komt deze op het volgende neer:
- indien de aandelen werden verkregen via een aandelenoptieplan, zal voor de meerwaardebelasting de prijs op het moment van het uitoefenen van de optie worden gehanteerd als aanschaffingswaarde. Het verschil tussen de waarde op het moment van deze uitoefening en de oorspronkelijke waarde ten tijde van het verkrijgen van de optie is dus niet belastbaar in de meerwaardebelasting (en ook in principe niet als beroepsinkomen);
- indien de aandelen verkregen werden tegen een verminderde prijs, zal de werkelijke aandelenkoers ten tijde van de verkrijging als aanschaffingswaarde in aanmerking worden genomen. De korting die men als belastingplichtige heeft verkregen is dus niet belastbaar in de meerwaardebelasting (en onder bepaalde voorwaarden ook niet als beroepsinkomen);
- voor opties die worden toegekend om een aandeel te kopen, zal de waarde van de optie op het moment dat deze overdraagbaar wordt, gehanteerd worden als aanschaffingswaarde.
Voor levensverzekeringen geldt het verschil tussen de uitkering en de gestorte premies als belastbare basis.
De belasting wordt overigens enkel geheven op waardestijgingen tijdens de periode dat de belastingplichtige Belgisch rijksinwoner was.
Voor schenkingen en erfenissen geldt hetzelfde principe: de oorspronkelijke aanschafwaarde wordt overgenomen en ook hier vormt 31 december 2025 het vroegste relevante startpunt.
Een zeer belangrijk punt in het kader van deze aanschaffingswaarde is dat de belastingplichtige in principe zal moeten kunnen bewijzen wat deze waarde is. Het is dus van groot belang om voldoende bewijsstukken te hebben.
En minderwaarden?
Alleen minderwaarden die gerealiseerd worden na 31 december 2025 komen in aanmerking binnen de nieuwe meerwaardebelasting.
Gerealiseerde minderwaarden mogen enkel worden verrekend met meerwaarden binnen hetzelfde aanslagjaar én binnen dezelfde categorie van financiële activa. Bovendien moeten de minderwaarden steeds expliciet worden opgenomen in de belastingaangifte. Die verrekening gebeurt dus niet automatisch.
Bij effecten die via meerdere aankopen zijn verworven, wordt voor de berekening van de minderwaarde uitgegaan van de gemiddelde aankoopprijs.
Heffing en rapporteringsverplichting
De inning van de nieuwe meerwaardebelasting zal afhankelijk zijn van het type meerwaarde en van de betrokken financiële tussenpersoon. In een aantal gevallen zal de belasting automatisch worden ingehouden via een voorheffing, terwijl in andere situaties een rechtstreekse aangifte in de personenbelasting vereist blijft.
Voor bepaalde meerwaarden zal een roerende voorheffing van 10% worden ingehouden door de Belgische financiële tussenpersoon die bij de transactie betrokken is (zoals een Belgische bank of broker). Dit geldt uitsluitend voor meerwaarden die onder het algemene regime vallen.
De ingehouden roerende voorheffing is in principe bevrijdend: de belastingplichtige hoeft deze meerwaarden dan niet meer op te nemen in zijn aangifte personenbelasting.
In de praktijk kan het echter aangewezen zijn om de meerwaarden alsnog aan te geven. De Belgische tussenpersoon zal bij de inhouding namelijk geen rekening houden met:
- de jaarlijkse vrijstelling van 10.000 EUR;
- eventuele aftrekbare minderwaarden;
- een hogere historische aanschaffingswaarde dan de waarde op 31 december 2025.
Wie deze elementen alsnog wil laten meespelen, zal de meerwaarde zelf moeten aangeven in de personenbelasting. Een eventueel te veel ingehouden roerende voorheffing wordt dan terugbetaald. Deze keuze impliceert wel dat de belastingplichtige (gedeeltelijk) zijn fiscale anonimiteit verliest.
Om een prefinanciering van de belasting te vermijden, voorziet het ontwerp ook in een opt-out regeling. De belastingplichtige kan zijn bank verzoeken om geen roerende voorheffing in te houden, maar moet in dat geval zelf instaan voor een correcte en tijdige aangifte.
Bij toepassing van de opt-out is de Belgische tussenpersoon wel verplicht de fiscus te informeren over:
- het feit dat een opt-out werd toegepast;
- de betrokken inkomsten en transacties.
Het ontwerp voorziet uitdrukkelijk geen bronheffing voor de volgende categorieën van meerwaarden:
- interne meerwaarden;
- meerwaarden op aanmerkelijk belang;
- meerwaarden op crypto-activa;
- meerwaarden op valuta, waaronder beleggingsgoud.
In deze gevallen is de belastingplichtige altijd verplicht om de gerealiseerde meerwaarden zelf op te nemen in zijn aangifte personenbelasting.
Aangezien de wet nog niet gestemd is, kunnen de financiële instellingen op heden wettelijk gezien nog geen voorheffing inhouden. Er is aldus een regeling voorzien waarbij belastingplichtigen via de financiële instellingen een equivalent aan de roerende voorheffing kunnen storten. Volgens de laatste verklaringen van de minister in de Kamercommissie zou de roerende voorheffing dan ingehouden worden vanaf 1 juni 2026.
Verder is er ook een rapporteringsplicht voor tussenpersonen bij interne meerwaarde- en aanmerkelijk belang transacties. Deze rapporteringsplicht rust op elke persoon die een verrichting ontwerpt, aanbiedt, ter implementatie beschikbaar maakt of de uitvoering ervan beheert. Belangrijk is dat de verplichting enkel ontstaat wanneer de transactie effectief wordt gerealiseerd. Een louter advies over een mogelijke verrichting is dus niet voldoende. Daarnaast moet er steeds een aanknopingspunt met België zijn, zoals de fiscale woonplaats, een Belgische vaste inrichting, oprichting naar Belgisch recht of inschrijving bij een Belgische beroepsorganisatie voor juridische, fiscale of aanverwante adviesdiensten.
In principe moet elke betrokken persoon rapporteren, tenzij men schriftelijk kan aantonen dat een andere partij de melding al heeft gedaan. Advocaten vallen, door hun beroepsgeheim, buiten het toepassingsgebied van deze rapporteringsplicht.
Wat nu?
Hoewel de formele wetgeving nog moet worden goedgekeurd, staat volgens de minister vast dat de grote lijnen van de nieuwe meerwaardebelasting zijn uitgeklaard. Vanaf 1 januari 2026 zal België in principe beschikken over een structurele en veralgemeende meerwaardebelasting op financiële activa, met ingrijpende gevolgen voor beleggingsstrategieën, familiale structuren en vermogensplanning.
Aarzel niet om contact op te nemen met onze experten voor een gerichte analyse of strategisch advies.