Hof van Cassatie bevestigt: erfgenamen erven geen fiscale fraude
Cassatiearrest van 3 april 2026 over belastingverhogingen van 200% en het persoonlijk karakter van de straf
Met zijn arrest van 3 april 2026 (F.24.0069.F) bevestigt het Hof van Cassatie op duidelijke wijze dat fiscale sancties met een repressief karakter niet zonder meer kunnen worden verhaald op erfgenamen die zelf vreemd zijn aan de ten laste gelegde fiscale inbreuken. Het arrest situeert zich op het raakvlak van het fiscaal recht, het algemeen sanctierecht en artikel 6 EVRM.
Feiten en procedureverloop
De betwisting betrof aanvullende aanslagen in de personenbelasting voor de aanslagjaren 2011 tot en met 2014, gevestigd lastens een belastingplichtige actief in de schroothandel en diens echtgenote. De administratie verwierp bepaalde beroepskosten en legde bovendien belastingverhogingen op ten belope van 200%, op grond van foutieve aangiften die gepaard zouden zijn gegaan met valsheid in geschrifte en gebruik van valse stukken.
Tijdens de beroepsprocedure overleed de belastingplichtige. De echtgenote verwierp de nalatenschap terwijl de dochter deze aanvaardde onder voorrecht van boedelbeschrijving. In haar hoedanigheid van erfgenaam zette zij het geding verder.
Bij arrest van 20 februari 2023 verklaarde het hof van beroep te Luik het hoger beroep ongegrond en bevestigde het zowel de aanslagen als de belastingverhogingen.
Oordeel van het Hof van Cassatie
Het Hof vernietigt het bestreden arrest in zoverre het uitspraak doet over de belastingverhogingen en de kosten.
Uitgangspunt van het Hof is dat artikel 6, §2 EVRM bepaalt dat eenieder die van een strafbaar feit wordt beschuldigd, wordt geacht onschuldig te zijn totdat zijn/haar schuld definitief werd vastgesteld. Daaruit leidt het Hof af dat strafrechtelijke aansprakelijkheid tenietgaat bij het overlijden van de oorspronkelijke belastingplichtige.
Vervolgens preciseert het Hof dat dit beginsel niet beperkt blijft tot het klassieke strafrecht, maar eveneens geldt voor administratieve sancties die, gelet op hun aard, doel en zwaarte, een repressief karakter vertonen in de zin van artikel 6 EVRM. De formele kwalificatie naar intern recht is daarbij niet doorslaggevend. Zodra een maatregel in wezen strekt tot een penale bestraffing en afschrikking, moeten de fundamentele waarborgen van artikel 6 EVRM worden geëerbiedigd.
In dat verband oordeelt het Hof dat de belastingverhoging van 200% wegens een onjuiste of onvolledige aangifte, gepaard gaande met valsheid in geschrifte of het gebruik van valse stukken, als een sanctie met repressief karakter moet worden beschouwd.
Het Hof stelt vervolgens vast dat de erfgename zelf geen onjuiste aangifte heeft ingediend en evenmin enige valsheid of gebruik van valse stukken heeft gepleegd. Zij was enkel in het geding betrokken als rechtsopvolgster van haar overleden vader. Onder die omstandigheden kon zij niet worden geconfronteerd met een sanctie die gegrond was op gedragingen die uitsluitend aan de oorspronkelijke belastingplichtige werden verweten.
Door niettemin te oordelen dat de belastingverhogingen tegenover haar konden worden gehandhaafd, heeft het hof van beroep artikel 6, §2 EVRM geschonden. Het arrest wordt in die mate vernietigd en de zaak wordt verwezen naar het hof van beroep te Bergen.
Besluit
Met dit arrest bevestigt het Hof van Cassatie dat de fiscus weliswaar de belastingschuld kan invorderen binnen de grenzen van het erfrecht, maar niet zonder meer repressieve fiscale sancties kan verhalen op erfgenamen die zelf geen enkele fout hebben begaan.
Het arrest biedt aldus een belangrijke verduidelijking omtrent de grenzen van fiscale rechtsopvolging en bevestigt dat ook binnen het fiscaal recht de fundamentele rechtsbeginselen onverkort gelden.
Wie hierover meer wenst te weten, of specifieke vragen heeft, kan ons steeds vrijblijvend contacteren. Wij helpen u graag verder.