Overslaan en naar de inhoud gaan
#Estate planning

Gunstregime voor familiale ondernemingen, zelfs met vastgoed

dinsdag 10/03/2020

Een belastingplichtige mag het tegenbewijs leveren dat er een reële economische activiteit bestaat in hoofde van een familiale vennootschap. Zelfs als een gebrek aan zo'n activiteit vermoed wordt en de vennootschap ook privaat vastgoed op haar balans heeft staan. Deze uitspraak van de rechtbank van eerste aanleg in Gent was een primeur en wordt nu bevestigd door het hof van beroep in Gent in een tussenarrest van 1 juni 2021.

De spelregels en de visie van Vlabel

De Vlaamse Belastingdienst weigerde het gunstregime voor familiale vennootschappen toe te kennen omdat de vennootschap in casu geen reële economische activiteit zou hebben, hetgeen één van de drie voorwaarden is voor de toepassing van de gunstregeling. De wet bevat immers een vermoeden dat er geen reële economische activiteit bestaat indien twee parameters in de jaarrekening cumulatief voldaan zijn. Indien de terreinen en gebouwen opgenomen in rekening 22 van de balans, meer bedragen dan 50% van het actief en indien tegelijk de bezoldigingen, sociale lasten en pensioenen, balanspost 62, niet meer bedragen dan 1,5% van het totale actief, wordt de vennootschap uitgesloten van het gunstregime.

Toch laat de wet ook toe om het tegenbewijs te leveren. De belastingplichtige mag immers aantonen dat de betrokken vennootschap wel degelijk een reële economische activiteit heeft. Het probleem is evenwel dat de Vlaamse Belastingdienst in haar Omzendbrief 2015/2 heeft gesteld dat zij het tegenbewijs niet zal aanvaarden indien er ook privaat vastgoed in de vennootschap aanwezig is. Zij is van mening dat het nooit de bedoeling was van de wetgever om deze mee onder het gunsttarief te brengen.

De betwisting

In de betwisting die voorlag bij de rechtbank was het inderdaad zo dat de vennootschap op grond van de boekhoudkundige parameters geacht werd een patrimoniumvennootschap te zijn en dus geen aanspraak kon maken op het gunstregime. Naast velden, loodsen en een winkel, bezat de vennootschap ook een appartement en een woonhuis bezat, die niet recht-streeks bij de gewone uitbating betrokken zijn. Toch stond het evengoed vast dat de ven-nootschap wel degelijk een economische activiteit uitoefende : opkweek van runderen en uitbating van een slagerij.

De Vlaamse Belastingdienst steunde zich op zijn Omzendbrief van 2015 en stelde dat geen tegenbewijs kon geleverd worden aangezien er ook vastgoed in de vennootschap aanwezig is, dat niet verbonden is met de uitbating van de slagerij. De belastingplichtige voerde aan dat de visie van de Vlaamse ingaat tegen de duidelijke wettekst, die hoe dan ook toelaat te bewijzen dat het om een echt werkende vennootschap gaat. De wet stelt daarbij niet dat een vennootschap een patrimoniumvennootschap zou zijn indien er naast de gewone uitbating ook ander vastgoed voorhanden is, aldus de belastingplichtige.
De rechtbank van eerste aanleg te Gent volgt deze argumentatie en oordeelt dat de belas-tingplichtige enkel het bewijs moet leveren van het bestaan van een reële economische acti-viteit, zelfs als de vennootschap ook (privaat) onroerend vermogen beheert. Aangezien in het betwiste geval de vennootschap een beenhouwerij uitbaat, achtte de rechtbank dat het tegenbewijs werd geleverd en werd de Omzendbrief buiten toepassing gelaten.

Het gunstregime voor de erfbelasting werd door de rechtbank toegekend.

Conclusie

In deze uitspraak onderzoekt de rechter of de strenge opvatting van de fiscus wel steun vindt in de wet. De rechter oordeelt dit niet het geval is en laat de bewuste Omzendbrief op dat vlak buiten toepassing. Het is nu afwachten op de reactie van de Vlaamse Belasting-dienst.

Auteurs: Fréderic Stynen en Dirk De Groot

Neem contact op met één van onze advocaten

Dirk De Groot

Dirk De Groot

Partner

Contacteer
Frederic Stynen

Frederic Stynen

Associate

Contacteer