Overslaan en naar de inhoud gaan
#Moore Law #Tax Law #Bezoldiging

De bezoldigingstheorie: recente rechtspraak gaat de positieve richting uit

woensdag 14/09/2022
Bezoldigingstheorie: recente rechtspraak gaat positieve richting uit

Zijn kosten van (in de praktijk vaak onroerende) goederen aftrekbaar bij een vennootschap die deze goederen geheel of gedeeltelijk, gratis of tegen (beperkte) vergoeding, ter beschikking stelt van haar bedrijfsleider?

Deze vraag heeft in de praktijk al geleid tot talloze discussies en uiteenlopende standpunten. De belastingplichtige slaagde er vaak niet in om voldoende te bewijzen dat tegenover dergelijke bezoldiging in natura wel degelijk reële prestaties van de bedrijfsleider staan, wat een voorwaarde is voor de aftrekbaarheid van de gemaakte kosten. De zogenaamde ‘bezoldigingstheorie’ werd ogenschijnlijk dan ook al meermaals ten grave gedragen. Lees meer in ons artikel 'De bezoldigingstheorie: bewijslast is niet onoverkomelijk'. De saga gaat echter verder: uit de recente rechtspraak blijkt dat de invulling van deze bewijslast noodzakelijk maar ook voldoende is om de aftrekbaarheid van de kosten te verantwoorden. Rechters tonen zich alsmaar kritischer ten aanzien van de argumenten van de fiscus om de aftrekbaarheid alsnog te verwerpen in goed gedocumenteerde dossiers.

Pro memorie

In toepassing van artikel 49 WIB 1992 dient de belastingplichtige aannemelijk te maken dat een kost gemaakt wordt met de intentie om belastbare inkomsten te verkrijgen of te behouden, zonder dat vereist is dat deze kost exclusief om die reden is gemaakt en dat dit doel ook effectief wordt bereikt. Deze band kan rechtstreeks bestaan (met het oog op inkomsten of toekomstige meerwaarden) of onrechtstreeks (door het vergoeden van de zaakvoerder voor de werkelijke prestaties die worden geleverd met het oog op het verwerven van inkomsten).

Wanneer de fiscus de aftrek weigert van kosten die een vennootschap maakt om haar bedrijfsleider(s) een voordeel van alle aard (zoals de kosteloze beschikking over een woning) toe te kennen, doet hij dat meestal met de aanvalsroute dat de finaliteits- of intentionaliteitsvoorwaarde in artikel 49 WIB 1992 niet is vervuld. Hier kan de bezoldigingstheorie soelaas bieden door aldus het bestaan van werkelijke prestaties door de bedrijfsleider aan te tonen.

Op welke wijze de geleverde prestaties vergoed worden – in speciën of in natura –, zou namelijk geen invloed mogen hebben op de beoordeling van de aftrekbaarheid. Toch lijkt de administratie maar al te graag het argument te gebruiken dat “de bezoldigingstheorie niet toelaat onder het mom van geleverde prestaties van de bedrijfsleider zonder meer allerhande uitgaven van persoonlijke aard af te wentelen op de vennootschap”.

Hoewel de vennootschap autonoom de grootte en aard van de bezoldiging voor haar bedrijfsleider mag bepalen en het de fiscus en de rechter verboden is om de opportuniteit van die beslissing te beoordelen, voelt het vaak aan dat de kosten die verbonden zijn aan een onroerend goed dat privé wordt gebruikt door de bedrijfsleider als een waar automatisme worden verworpen.

Bovendien durft de fiscus al eens te stellen dat er geen bewijs voorligt dat er een ‘economische oorzaak of noodzaak’ is om te kiezen voor de terbeschikkingstelling van een woning of dat uit niets zou blijken “dat de vennootschap haar inkomsten niet zou realiseren zonder de tenlasteneming van de kosten met betrekking tot het privé gebruikt onroerend goed.” Het kan echter niet de bedoeling zijn dat de belastingplichtige haar bedrijfseconomische beslissingen dient te verantwoorden ten aanzien van de administratie.

Tenslotte blijft de discrepantie tussen de aftrekbaarheid van de werkelijke kosten bij de vennootschap en de belastbaarheid van het (lagere) forfaitaire gewaardeerde voordeel van alle aard een doorn in het oog van de fiscus.

Wij dienen evenwel vast te stellen dat deze argumenten van de fiscus alsmaar minder worden gevolgd door de rechtscolleges.

De evolutie in de rechtspraak van de bezoldigingstheorie

In de gevallen waarin de rechter de aftrek van kosten tegenwoordig wel aanvaardt op grond van de bezoldigingstheorie valt op dat de nadruk wordt gelegd op de formele goedkeuring van de bezoldigingspolitiek door de algemene vergadering en de uitdrukkelijke vermelding in de notulen van de jaarvergaderingen. Hoewel een gedetailleerde motivering, aangepast aan de feitelijke situatie van het betrokken jaar, uiteraard de voorkeur geniet, werd ook een summiere omschrijving in het verslag van de algemene vergadering al voldoende geacht.

Daarnaast wordt er in de rechtspraak gekeken naar het verband tussen het werk van de bedrijfsleider en de evolutie van de omzet van de vennootschap. Wanneer er sprake is van een hoge of toenemende omzet doet dit immers vermoeden dat er wel degelijk iemand effectieve prestaties levert voor de vennootschap. Wanneer de bedrijfsleider de enige actieve persoon is in de vennootschap, kan moeilijk ontkend worden dat de gerealiseerde omzet het resultaat is van de door hem of haar effectief geleverde prestaties. In de gevallen waarin er sprake is van een vennootschap die een vrij beroep uitoefent, zoals een doktersactiviteit, kan de maatschappelijke activiteit zelfs uitsluitend door toedoen van de bestuurder worden gerealiseerd. Het is perfect normaal dat de vennootschap bij een stijgende omzet een passende vergoeding uitkeert, en dat kan net zo goed door middel van de terbeschikkingstelling van een woning.

Uit de recente rechtspraak blijkt dat de rechters ook duidelijke grenzen stellen aan de bewijslast die de belastingplichtige dient in te vullen. Zo werd geoordeeld dat artikel 49 WIB 1992 enkel een positief bewijs vereist dat de kosten werden gedaan of gedragen om belastbare inkomsten te verkrijgen of te behouden en geen negatief bewijs dat de beoogde belastbare inkomsten, zonder deze betrokken kosten, niet (meer) zouden worden verkregen of behouden. Zolang dit positief bewijs geleverd wordt, belet er niets de vennootschap om aan haar bedrijfsleider een relatief omvangrijke loonsverhoging toe te kennen.

Meerdere rechtscolleges merken ook nog terecht op dat de vaststelling dat het bedrag van de voordelen in natura niet in verhouding staat met de werkelijke kosten die de vennootschap draagt om het voordeel te kunnen toekennen, geen reden is om de aftrekbaarheid van de kosten te verwerpen. Die discrepantie vloeit immers voort uit ‘het mechanisme van de wet en de keuze van de wetgever’ en het komt dan ook de wetgever toe om deze regeling te evalueren.

Bovenstaande rechtspraak maakt nog maar eens duidelijk dat de rechters ieder geval afzonderlijk beoordelen en dat het bewijs van de werkelijk geleverde prestaties onvermijdelijk een feitenkwestie vormt. Een goede onderbouw blijft essentieel. Lees meer in ons artikel 'Privévastgoed in uw vennootschap? Zorg voor een ijzersterke onderbouw!'. Omdat die vandaag uitgebreider moet zijn dan vroeger om uw slaagkansen te maximaliseren, doet u er goed aan bestaande constructies met privévastgoed te evalueren en indien nodig bijkomend te onderbouwen. Aarzel niet om ons te contacteren indien u hierover vragen heeft of hierbij hulp nodig heeft.

Neem contact op met één van onze advocaten

Kim Roelants

Kim Roelants

Senior Associate

Contacteer