Overslaan en naar de inhoud gaan
#Commercial Law

De B2B-wet: De bescherming van David tegen Goliath

dinsdag 10/03/2020

Op 24 mei 2019 werd de zogenaamde ‘B2B-wet’ (wet 4 april 2019) gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad die verscheidene bepalingen invoegde in het Wetboek Economisch Recht (WER). Deze wet is thans gekend als ‘de B2B-wet’, nu deze de contractsverhoudingen tussen ondernemingen nader regelt.

De B2B-wet werd in wezen ingevoerd om aan KMO’s een bescherming te bieden tegen de grotere ondernemingen of groepen van ondernemingen. De wetgever merkte immers op dat KMO’s maar al te vaak de noodzakelijke middelen ontbreken om zich te verweren tegen de eisen die grotere ondernemingen hen opleggen.

De wetgever vond het dan ook hoog tijd om in te grijpen en een verder misbruik van machtspositie te vermijden, temeer de KMO’s als de ruggengraat van onze economie beschouwd worden.

De B2B-wet kan worden onderverdeeld in drie luiken. De wetgever koos hierbij niet voor een eenvoudige regeling, maar voorzag dat ieder luik op een ander ogenblik in werking treedt:

1. Oneerlijke marktpraktijken: 1 september 2019
2. Misbruik van economische afhankelijkheid: 1 juni 2020
3. Onrechtmatige bedingen: 1 december 2020

Een van de meest in het oog springende elementen van de B2B-wet betreft de invoering van de onrechtmatige bedingen, waarover we in deze bijdrage even bij stilstaan.

Hoewel de wetgever de bescherming van de kleinere ondernemingen in gedachten had, zijn de betrokken wetsbepalingen van toepassing op alle mogelijke overeenkomsten tussen ondernemingen, behoudens inzake financiële diensten of overheidsopdrachten (art. VI.91/1 en VI.91/3 WER). Het bestaan van een machtspositie is immers niet steeds verbonden aan de omvang van de onderneming, nu ook kleinere nicheondernemingen misbruik zouden kunnen maken van hun marktmacht.

Inzake de onrechtmatige bedingen verduidelijkt de B2B-wet vooreerst nadrukkelijk dat indien een overeenkomst schriftelijk werd opgesteld, deze op een duidelijke en begrijpelijke wijze opgesteld moeten worden. Dergelijke vereiste lijkt evident, maar blijkt in de praktijk niet steeds toegepast te worden.

Duidelijke contractuele afspraken zijn voor de wetgever een basisvoorwaarde voor een transparant economisch bestel, nu de iedere partij met kennis van zaken moet kunnen instemmen met een contract en haar bepalingen. Deze transparantievereiste hangt nauw samen met de vraag óf en hóe de contractvoorwaarden werden meegedeeld aan de betrokken partijen.

Bij de beoordeling van deze vereiste zal er overigens ook rekening gehouden worden met de verwachtingen die door de ene partij werden gecreëerd ten opzichte van de wederpartij door de gebruikte marktpraktijken (reclame).

De B2B-wet bepaalt tevens dat iedere bepaling die een kennelijk onevenwicht schept tussen de rechten en plichten van partijen onrechtmatig is.

Er dient te worden benadrukt dat het hierbij gaat om een toetsing van het juridische (on)evenwicht van de contractsbepalingen en niet om een toetsing van het economische (on)evenwicht. Wat contractspartijen overeenkomen en tegen welke prijs, blijft volgens de wetgever in principe toebehoren aan de vrije markt waarin ondernemingen zich begeven.

De wetgever koos voor een opdeling in enerzijds de bepalingen die per definitie onrechtmatig zijn (de zogenaamde “zwarte lijst”) en anderzijds de bepalingen waarbij men aanneemt dat deze onrechtmatig zijn, maar waarvan toch het tegenbewijs geleverd kan worden (de zogenoemde “grijze lijst”).

De zwarte lijst omvat de bedingen die ertoe strekken (art. VI.94/4 WER):

  • te voorzien in een onherroepelijke verbintenis van de ene onderneming, terwijl verbintenissen van de andere onderneming verbonden zijn aan voorwaarden waarover zij zelf geheel en volledig de controle heeft. Daar waar de ene onderneming haar verbintenissen moet uitvoeren, zou de andere onderneming dankzij een dergelijk beding als het ware zelf kunnen controleren of haar verbintenissen al dan niet uitgevoerd moeten worden.

  • de onderneming het eenzijdige recht te geven om een of ander beding van de overeenkomst te interpreteren;

  • in geval van betwisting, de wederpartij te doen afzien van iedere rechtsvordering tegen de onderneming;

  • op onweerlegbare wijze de kennisname of de aanvaarding van de wederpartij vast te stellen met bedingen waarvan deze niet daadwerkelijk kennis heeft kunnen nemen vóór het sluiten van de overeenkomst.

De voormelde zwarte lijst is strikt en restrictief te interpreteren.

De grijze lijst omvat de bedingen die (art. VI.91/5 WER):

  • het recht verlenen om eenzijdig, op willekeurige wijze, zonder geldige en redelijke reden, de prijs, de kenmerken of de voorwaarden van een overeenkomst te wijzigen;

  • de mogelijkheid geven een overeenkomst van bepaalde duur stilzwijgend te verlengen of te vernieuwen, zonder opgave van een redelijke opzegtermijn;

  • ertoe strekken om zonder tegenprestatie het economische risico op een partij leggen indien dit risico normaliter op de andere partij of op een andere partij bij de overeenkomst rust;

  • de mogelijkheid voorzien om op ongepaste wijze de wettelijke rechten van een partij uit te sluiten of te beperken in geval van volledige of gedeelde wanprestatie of gebrekkige uitvoering door de andere partij van een van haar contractuele verplichtingen (zogenaamde “catch all”- bepaling);

  • ertoe strekken de partijen te verbinden zonder opgave van een redelijke opzegtermijn, onverminderd de wettelijke bepalingen inzake de ontbinding bij wanprestatie;

  • de onderneming ontslaan van haar aansprakelijkheid voor haar opzet, haar zware fout of voor die van haar aangestelden of, behoudens overmacht, voor het niet-uitvoeren van de essentiële verbintenissen die het voorwerp van de overeenkomst uitmaken;

  • de bewijsmiddelen waarop de andere partij een beroep kan doen beperken;

  • ertoe strekken om in geval van niet-uitvoering of vertraging in de uitvoering van de verbintenissen van de andere partij, schadevergoedingsbedragen vast te stellen die kennelijk onevenredig zijn aan het nadeel dat door de onderneming kan worden geleden.

Om te beoordelen of een “grijs beding” daadwerkelijk onrechtmatig is, moet worden nagegaan welke gevolgen het beding in concreto heeft voor de contractspartijen. De specifieke aard van het goed of de dienst, van de betrokken sector en van de commerciële gebruiken daarrond, alsook de gehele context en de commerciële relaties spelen hierbij een belangrijke rol.

Wanneer de contractspartijen nadrukkelijk en welbewust een “grijs beding” opnemen, is evenwel het principe van de contractsvrijheid van toepassing. Het vermoeden dat het beding onrechtmatig is kan dan ook weerlegd worden indien wordt aangetoond dat beide partijen werkelijk die specifieke regeling wilden bekomen.

De wetgever meende dus dat er omwille van gerechtvaardigde economische motieven afgeweken kan worden van een normale juridische afweging van de contractuele rechten en plichten.

Wat indien uw overeenkomst één van de bovenvermelde onrechtmatige bedingen omvat? Is dan meteen de gehele overeenkomst aangetast?

Neen! Het onrechtmatige beding an sich is verboden en bijgevolg nietig. De overige bepalingen van de overeenkomst blijven evenwel bindend voor de betrokken partijen wanneer de bewuste overeenkomst zonder het onrechtmatige beding kan blijven voortbestaan.

De voormelde zwarte, dan wel grijze bedingen, zijn onrechtmatig vanaf 1 december 2020.

De geldigheid van de overeenkomsten die reeds van kracht zouden zijn op 1 december 2020 wordt echter niet beïnvloed. Nieuwe overeenkomsten, gesloten na 1 december 2020, dan wel overeenkomsten die na 1 december 2020 worden hernieuwd of gewijzigd, vallen wel onder de toepassing van de B2B-wet.

Het is dus aangewezen om tijdig te anticiperen op deze nieuwe overeenkomsten.

Neem contact op met één van onze advocaten

Tom Vanraes

Tom Vanraes

Managing Partner

Contacteer
Bernd Bogaerts

Bernd Bogaerts

Associate

Contacteer